Navigatie Inhoud Activiteiten in Oostenrijk
close
Please choose your country:
Or choose your language:

Gustav Klimt – Anekdotes

Menig kunstenaar is omgeven door verhalen, die zijn aanhang ook nog vele jaren na zijn dood nog ontroeren of amuseren. Ook over Gustav Klimt bestaan er meerdere anekdotes.

Beethovenfries, Wiener Secession © Österreich Werbung/Trumler
"Ik schilder een meisje zoals ik haar mooi vind, en anders niet!"
Gustav Klimts perfectionisme en ontevredenheid over zijn resultaten waren legendarisch. Zo werkte hij drie jaar lang aan het portret van Elisabeth Bachofen-Echt. Klimt had de opdracht voor het portret gekregen van Elisabeths moeder Serena Lederer, één van zijn belangrijke mecenassen.Tijdens het werk aan het portret moest Elisabeth urenlang model zitten. Klimt schetste haar in allerlei houdingen, maar was steeds weer ontevreden over het resultaat. Omdat Elisabeth zelf zowel kritiek had op de posities als op de gekozen garderobe, kwam het geregeld tot twistgesprekken, zodat Klimt uiteindelijk uitriep: “Ik schilder een meisje zoals ik haar mooi vind, en anders niet!”
Na drie jaar was het geduld van Elisabeth Bachofen-Echt op. Ze reed naar Klimts atelier, waar ze het schilderij van de ezel pakte en het mee naar huis nam. Toen Klimt het later in de salon van de familie Lederer zag hangen, zei hij wrevelig: "Toch is ze het zo echt niet." De opdrachtgeefster liet zich hier echter niet door afschrikken en bestelde bij Klimt vervolgens ook een portret van haar moeder, Charlotte Pulitzer.

‘Gegen Klimt’
'Gegen Klimt', - tegen Klimt - was de titel van een schrijven van Hermann Bahr, waarmee die openlijk opkwam voor de omstreden kunstenaar. Er is nauwelijks enig werk van Gustav Klimt dat zulke heftige publieke reacties opriep als de faculteitsschilderijen die hij voor de Weense Universiteit maakte. Eén van de vroege ontwerpen voor het schilderij 'Filosofie' uit deze serie bevatte aan de onderste rand van de afbeelding een jonge man, die diep in gedachten verzonken stond. Toen de rector van de universiteit deze jongeman zag, omringd door elkaar omhelzende stelletjes, dacht hij dat de jongeman waarschijnlijk niet zozeer nadacht over filosofie, maar meer aan waar de kinderen vandaan komen.

Bedreigde hoop
Waarschijnlijk was het de zwangere Mizzi Zimmermann, model en geliefde van Gustav Klimt, die hem ertoe bracht het motief van de zwangere vrouw in zijn schilderijen op te nemen. Tijdens het werk aan het schilderij 'Hoffnung I', dat ook weer aan dit thema gewijd was, stierf onverwacht zijn toen eenjarige zoon Otto, een kind uit zijn relatie met Mizzi Zimmermann. Zijn dood leidde tot een wijziging in de opzet van het schilderij. Weliswaar bleef de blauwe, met goud doorweven lap stof achter de zwangere nog steeds verwijzen naar de in de titel uitgedrukte hoop, maar de achtergrond werd nu bevolkt door onheilspellende figuren: naast de al uit de Beethovenfries bekende reus Typhon kijken diverse tronies op de zwangere neer, Ze zijn te identificeren als de dochters van Typhon en ze symboliseren ziekte, dood, waanzin, wellust, onkuisheid en verdriet. De eigenaar van het schilderij, Fritz Waerndorfer, liet voor het schilderij een afsluitbare kast bouwen, die hij slechts voor selecte gasten opende.

Meer blik dan Bloch
In 1908 werd het 60-jarig regeringsjubileum van keizer Franz-Joseph gevierd. Het terrein naast de schaatsvereniging, waar de bouw van het concertgebouw gepland was, lag braak en bood gelegenheid voor het inrichten van een enorm tentoonstellingsterrein. Klimt was als één van de leidende figuren bij het project betrokken en hield bij de opening van de eerste kunsttentoonstelling in 1908 – heel ongewoon voor hem – de openingstoespraak. Klimt nam zelf aan de expositie deel met een aantal werken, waaronder zijn magnum opus 'De Kus', dat meteen werd aangekocht door de Oostenrijkse Galerie Belvedere. Desondanks regende het ook hier weer kritiek, ook over het werk van Klimt. Zo werd er spottend over zijn portret Adele Bloch-Bauer I, dat nu één van de duurste schilderijen ter wereld is, geschreven dat het dankzij het royale gebruik van goud 'meer blik dan Bloch' was. Maar Oskar Kokoschka, aan wie Klimt als 'het grootste talent van de jongere generatie' een eerste kans bood om in de openbaarheid te treden, zorgde echt voor een grof schandaal. Na de expositie kwam men bij elkaar in het koffiehuis op het tentoonstellingsterrein, om te overleggen wat er met de kritieken gedaan moest worden, waarna besloten werd helemaal niets te ondernemen. "Het haalt nu niets uit", zo formuleerde schrijver en kunstcriticus Ludwig Hevesi het in zijn recensie, "maar over twintig jaar krijgen wij gelijk."

"Er zijn maar twee schilders: Velázquez en ik."
Gustav Klimt reisde veel, maar hij deed het niet graag. Hij voelde zich het best thuis in Wenen en aan de Attersee in het Salzkammergut, waar hij elk jaar de zomer doorbracht. Ook in 1903 was hij op reis, nu in Italië. Klimt, die zich in een bericht aan Emilie Flöge al eens had laten verleiden tot de uitroep "Naar de duivel met die woorden!", was ook nu zuinig met berichten over zijn reisindrukken. De zin "… in Ravenna veel armoede – de mozaïeken van een ongehoorde schoonheid …" is daarom één van de meest enthousiaste uitingen over kunst, die we uit zijn mond kennen. De confrontatie met de figuren in de Byzantijnse mozaïeken, die zich tegen een gouden achtergrond in een onbegrensde ruimte lijken te bevinden en aan de zwaartekracht ontsnapt lijken, werd enkele dagen later gevolgd door de werken van de middeleeuwse meesters in Florence. Hierover merkte Klimt in zijn brieven, na een opmerking over het slechte weer, kort en krachtig op: "Zeer sterke kunstindrukken." Het zou nog een aantal jaren duren, voor Klimt zijn indrukken weergaf in de taal die hij onbeperkt beheerste: zijn schilderwerk. Bovendien hoefde Klimt niet te reizen om door oude meesters geïnspireerd te raken. Hij kon bijvoorbeeld in het Weense Kunsthistorisch Museum de uitgebreide schilderijencollectie van Diego Velázquez bestuderen. Dat die indruk op hem maakten is op te maken uit zijn ironische opmerking, toen hij eens uitlegde: "Er zijn maar twee schilders: Velázquez en ik.” In het portret van Fritza Riedler bracht hij beide invloeden uiteindelijk bij elkaar. Voor de eerste keer domineerde een aaneengesloten gouden vlak in een schilderij van Gustav Klimt. Daarmee begon de 'gouden periode' in zijn werk, die uiteindelijk zijn hoogtepunt bereikte in het schilderij 'De Kus'.

"… ik weet maar één ding zeker – dat ik een arme zot ben."
In de hele stad deden talloze geruchten de ronde over affaires die Gustav Klimt had met zijn modellen en met zijn opdrachtgeefsters uit de gegoede burgerij. Toen Klimt de jonge Alma Schindler, die later Alma Mahler-Werfel werd, avances begon te maken en zij daarop begon in te gaan, kwam het tot een schandaal. Klimt, die Alma, haar moeder Anna en stiefvader Carl Moll begeleidde tijdens een reis naar Italië, vluchtte daarop uit Venetië en ging terug naar Wenen. Tegen Carl Moll verklaarde Klimt dat hij spijt had, en hij schreef hem, wat Klimt beslist niet gemakkelijk afging, een lange brief die alles duidelijk moest maken, maar niets duidelijk maakte. "De jongedame", schreef hij in de brief over Alma, "zou toch het een en ander over me gehoord moeten hebben, over mijn verhoudingen, veel wat klopt, veel wat niet klopt, ik weet zelf nauwelijks het fijne over mijn verhoudingen en wil ook niet alles weten – ik weet maar één ding zeker – dat ik een arme zot ben." Kortom, tussen de beide heren was de zaak opgelost en Klimt had zich met Carl Moll verzoend. Alleen Alma bleef onverzoend achter, zij voelde zich door de 'eerste grote liefde van haar leven' bedrogen. Ze markeerde de dag van de verzoening tussen Klimt en haar stiefvader met een kruis in haar dagboek en schreef: "Hij heeft me zonder enige strijd opgegeven, hij heeft me verraden."